15 mei.
Ik had niets om handen die avond en wandelde, zoals dan vaker wel eens gebeurd,een beetje rond in de omgeving van de Eeklose sporthal.
Wandelen is het enige wat mij nog rest met die oude stramme spieren van mij.
Vroeger was het anders. Toen kon ik lopen, springen, zelfs vliegen! Maar dan vooral in mijn bed na het uitvoeren van weeral eens wat kattenkwaad. Maar ja, de tijd vliegt en de herinneringen aan mijn jeugd beginnen stilaan te vervagen.
Ik kijk vooral naar beneden tijdens het wandelen, dat voelt makkelijker aan voor mijn versleten rug.
Een beetje verder ligt een steentje op de weg, net daar waar ik binnen enkele passen zal zijn.
Dat steentje nog wegschoppen en dan wandel ik terug naar huis.
‘k Ga mijzelf trakteren op een biertje en ‘t rustig in mijn zetel opdrinken.
Maar hé zeg! Wie schop mijn steentje nu weg!? Dat is mijn steentje en ik ga, wie het ook moge zijn, dat eens goed duidelijk maken zie.
Of nee, toch niet. ’t Ziet er nogal een stoere figuur uit, een jaar of tien waarschijnlijk, met een wit pak aan. Nee, daar begin ik niet aan, ’k moet nog zonder kleerscheuren thuis geraken.
Hij stopt , ai nee, wat nu?
Door mijn kromme rug komen onze blikken op dezelfde hoogte, straks heb ik ook nog een kromme neus…
Hij lacht even en dan loopt hij vlug verder.
Hij leek mij een beetje nerveus.
Zou het door mij komen? Zou hij nu bang zijn van mij?
Ik ga het hem vragen.
- Hé jongen! Ben jij…
- Geen tijd meneer, ben bijna te laat!
- Maar ik wil alleen…
Verdomme, hij is al weg, binnen in de sporthal.
Ik moet het weten en ga ook naar binnen.
Ha, daar is hij.
???? wat is dat nu? Allemaal witte mannekes en meiskes, een paar pinguins, zo noem ik mannen in een kostuum, een tafel met bekers en medailles, en een tribune vol met schoon volk. Da’ s interessant…
Aan die daar ga ik het vragen.
- Euh, mevrouw, wat is er hier aan de hand?
- Het is vandaag ons clubkampioenschap karate, ’t zal de moeite zijn hoor. Kijk, daar zijn ze zich al aan het opwarmen en die meneren daar in hun kostuum dat zijn scheidsrechters.
- Ze lijken een beetje op …
Neen dat mag ik niet zeggen bedenk ik mij nog vlug.
- Straks beginnen ze er aan, ze zijn nog juist aan het wachten op Filip, de fotograaf, maar die zal er wel snel zijn nu. Hij zal zijn fototoestel wel weer vergeten zijn, zo kennen we hem.
Maar ’t is anders wel een goeie gast hoor!
Het lijkt hier wel gezellig eigenlijk, ‘k ga een beetje blijven denk bij mijzelf.
-Er zitten er nog 2 aan een tafeltje ginder, wat moeten die doen?
-Dat zijn dingske,…….en dingske….. allé, …….. Anja en Jolijn
Die gaan de resultaten noteren.
Aha, het lijkt erop dat ze gaan starten. Alle kampers komen tevoorschijn en stellen zich in rijen voor ons op. t’ Moeten er toch wel dertig zijn en ’t zijn niet alleen jongens.
Er zijn blijkbaar ook enkele stoere meiden van de partij.
- Kata pupillen: kampers lijn u
- Gaan ze nu beginnen?
- Ja, ik denk het wel
Ik recht mijn kromme rug een beetje dat geeft mij een beter zicht.
Ik ben verbaast van de inzet en de gedrevenheid van de kampers, wat een presentaties!
Passeren de revue: Lino, Arthur, maarten, Joeri, Bjarne, Thomas, Rafeal, Ruben, Noor, Nick, Gaétane, Jennifer en Joran.
Joran is jarig vandaag laat ik mij vertellen. Hopelijk is zijn buik niet te dik van de taart die hij gegeten heeft.
Ik zie hele blijde gezichtjes en ook een paar die het wat moeilijk hebben na een kamp die ze verloren.
Ik zie de coaches die zich ontfermen over de ontmoedigden.
Ondertussen is Filip, de fotograaf toegekomen.
Met toestel!
Hij was het thuis vergeten, hoor ik astrid nog net zeggen…
Het kampioenschap gaat in een hels tempo verder. De jongens en meisjes worden groter en sterker nu.
- Dat zijn de p niemen
- De wat?
- De p niemen
Ook mijn gehoor gaat achteruit dus daarom vraag ik het nog eens voor alle zekerheid, want een p niem, dat ken ik niet. Of zou het zijn van het luide roepen van de pupillen, de kiai zou dit zijn zeggen ze mij, dat ik extra gehoorproblemen heb vandaag?
- De p niemen wat zijn dat?
- De p r e m i n i e m e n
zegt iemand duidelijk articulerend achter mij, mijn instinct zegt mij dat het een schooljuffrouw moet zijn.
- Ah, de pre miniemen zeg ik voorzichtig, schrik hebbende over te moeten blijven vandaag.
- Ja , kijk daar zijn Sven, Gylian, Ewoud, Rayane, Wout, Laurens, Maarten, Zohaib en Kenzi
- Amai, die vliegen er nogal in! Wat een kracht, wat een snelheid!
De scheidsrechters trekken hun vlaggen alsof hun leven er vanaf hangt.
Ik heb medelijden met hun partners en zie het zo voor mij dat ze plots, terwijl ze slapen, geconfronteerd worden met vlaggen die getrokken worden omdat hun lieve scheidsrechter - partners nog steeds denken dat ze bij de les moeten blijven.
- Miniemen, lijn u!
Ik schrik wakker, moet verder gemijmerd hebben denk ik, weet het niet meer…
Mijn geheugen, weet je wel…
De miniemen, waaw, dat zijn al serieuze jongens en meisjes.
’t Was een van hen die ik tegenkwam daarnet, buiten.
Daar zou ik mij niet meer mee willen meten, nee, zeker niet.
In tegenstelling tot daarnet, denk ik niet meer bang te hoeven zijn want het lijken mij allemaal aangename jongeren.
‘k Voel mij al een beetje beter op mijn gemak nu.
’t Zijn spannende kampen.
Joaquim, Junaid, Frederic, Jens, Tom, Neal en Julie zijn het die het onderste uit de kan halen.
Als ik ze zo bezig zie, vergeet ik mijn slechte rug en mijn stramme spieren.
Zou ik ook nog kunnen meedoen? Zal het straks eens vragen aan zo een p eh , scheidsrechter.
De kampen zijn gedaan.
De winnaars zijn bekend zeg ik.
- Winnaars bekend? Zegt iemand.
Het zijn allemaal winnaars! Er zijn er die nog nooit een wedstrijd gedaan hebben maar ze staan hier toch, er waren er bij die verloren en er toch vrede mee konden nemen nadien. Zijn dat dan geen winnaars denk je?
- Ja zeg ik, een beetje onder de indruk van deze denkwijze.
En iedereen krijgt een medaille, zoals het hoort bij een winnaar.
Ik wil aanstalten maken om naar huis te gaan, blij dit meegemaakt te hebben.
Mijn biertje zal smaken straks in mijn zetel.
- Hier, dit is een bonnetje voor jou, je kan je er een drankje mee vragen in de cafetaria.
- Oh, dank je wel, dat is vriendelijk.
Ik vraag een biertje en zet mij bij het gezelschap.’t Is een gezellige babbel.
Plots realiseer ik mij dat ik dronken word. Word? Nee, ben!
‘k Moet naar huis.
Na afscheid te hebben genomen strompel ik naar huis,terug naar beneden kijkend.
Niet door mijn versleten rug nu, nee , die voel ik niet.
En stramme spieren heb ik niet meer.
Daar, het steentje dat ik vanavond wou wegschoppen!
Mmm , als ik nou eens…
Ik raap het op, smijt het in de lucht en met een oorverdovende kiai schop ik er met mijn been naar.
Een heuse kekomi!
Denk ik…
Er naast! Ai mijn been!
Nee, het gaat wel. Door het bier lijkt het alsof mijn spieren echt wel soepeler geworden zijn.
Misschien moet ik mij wel op toeleggen op dat bier, denk ik bij mijzelf, verder naar huis strompelend.
Thuisgekomen zet ik mij in de zetel en ….
Val in slaap.
Het was een mooie avond.